Samenvatting deel 1

In het eerste deel "de tijd van de kasteelheren”  hebben we gezien hoe de kleine vestingsbewaker van het jaar 1000 beetje bij beetje erin was geslaagd om zijn macht erfelijk te maken en hoe de stijging van die macht door Eudes, een opvolger,  als het hoofd van de chatellenie van Douai, ten gunste van het eerste huis  van Râches de eerst aangeboden  kans jammer genoeg niet heeft kunnen waarmaken.

Na de onderbreking van de Kruistochten volgden vredestichtende pogingen betreffende een grenszone waarbij een top van onafgebroken strooptochten    door bandieten en de heren schurken van Artois plaatsvonden.  Door de integratie van Pévèle in de eigendom van de gravin  Clémence werd de autonomie van de slotvoogden verminderd. Hieraan dient nog te worden toegevoegd de veelvoudige structurele zwaktes, waaraan het gebied van de slotvoogd               leed.

Een tweede kans om slotvoogd te worden, had de dochter van Wautier II aan het einde  van de twaalfde eeuw.

Zij was getrouwd met Guillaume van Hainaut, oom van de graaf  Boudewijn IX van Vlaanderen en van Constantinopel.

De nederlaag van Bouvines had helaas de hoop tot niets verminderd en de inzet op de koninklijke macht in Vlaanderen had  als gevolg een afname in de rechten op het gebied en vervolgens onder het bestuur van  Marguerite de ontmanteling van het rechtsgebied en de onteigening van de slotvoogd Pierre.

Een halve eeuw later, overleed zijn dochter Ysabeau, weduwe van  Jean van Maldeghem,  zonder rechtstreekse erfgenaam. De karige domeinen gingen over naar de familie d’Haversquerque, die vonden dat het een beloning was voor de verbintenis, als leliaerts, aan de zijde van de koning(de fere face?) bij de opstand tijdens de jaren 1302-1304.

De tijd van de slotvoogden was voorbij, maar de familie van de drie kepers was nog levenskrachtig zoals ons wordt getoond in een wandeling langs de wegen van Pévèle, dat wordt omschreven in het tweede deel.